Rene's hoekje

         

            Runen

   

Runenmeditatie.

We staan hier als grote bomen; afzonderlijk, bij elkaar, als een dicht bos. De wind streelt onze bladeren, wiegt ons heen en weer. Als we verstarren, breekt vader Wind onze stam; als we meegaand zijn, kan hij ons wiegen als een moeder haar kind. Onze benen zijn de wortels, ons lichaam is de stam, onze armen zijn de takken. Er groeien kleinere wortels uit onze voeten, ze verbreiden zich in de grond van moeder Aarde, drinken water uit ondoorgrondelijke diepten. Onze takken strijken zacht langs de takken van de naburige boom. We zijn een groot, machtig woud, maar elke boom staat apart.

Op een dag kwamen de runenkrachten in het bos op bezoek. 

Eerst verscheen Fehu, de kracht van het vuur, die ons in elk voorjaar tot nieuw, krachtig leven opwekte en het sap tot in de uiterste bladpunten dreef.

Toen kwam Uruz, de kracht van de aarde, ons stevig in het aardrijk wortelen en tegen de stormen van het leven wapenen.

Daarop volgde Thurisaz, de reuzenkracht, die ons door haar bezoek bijna ontwortelde, totdat we hadden geleerd zelf reuzen te zijn en onze eigen grootte en reuzenkracht te voelen.

Ansuz kwam aangelopen met wapperende mantel, streelde langs onze takken, boog ze en brak menige starre tak; ze is de kracht van de wind, van de geest, die ons veel heeft geleerd wat we in ons leven nog niet hadden overwogen.

Opdat we ons niet in zoveel filosofische gedachten zouden verliezen, bezocht ons Raidho, de kracht van de beweging en het ritme, die ons weer in harmonie met onszelf en alle anderen bracht, in harmonie met de aarde, het water, het innerlijke vuur en de ons omgevende lucht; met alles wat was, wat is en wat zal zijn.

Kenaz kwam erbij en hield ons de spiegel van het innerlijke kennisvuur voor, opdat we onszelf konden terugvinden tussen alle anderen die met ons in dit woud stonden. Een gloed ging door onze ziel of door dit inzicht, ontvlamde ons hart en bracht ons terug, terug naar ons ware zijn.

Daarop verscheen Gebo en we kregen allemaal een groot geschenk, het geschenk van het geven. Elke gave wordt met een tegengave beloond', zei Gebo ons bij het afscheid en sindsdien gingen we vriendelijker met elkaar om.

Wunjo verscheen, voegde zich bij ons, de kracht van levensvreugde vervulde ons en zacht wiegde we ons in de opkomende wind.

Met een zacht gerommel trad Hagalaz in onze kring, de kracht van de genezing en de vernietiging, de kracht van de hel; ze leerde ons in onszelf te gaan, tot in de diepste lagen van de stam, om de verwondingen van vroegere tijden te leren kennen, ze vanuit het binnenste van de stam aan de oppervlakte te brengen en van ons af te schudden, ze te beschouwen als wat ze waren: verwondingen uit het verleden.

Kort daarop volgde Naudiz, de kracht van de nood en de ommekeer, die het starre geraamte van onze eigen voorstellingen brak om een frisse blik op ons eigen bestaan mogelijk te maken.

Plotseling veranderde de weg voor ons, Isa ontstond uit het niets van ons woud, stond plotseling in ieder van ons; en een tot dan toe onbekende standvastigheid kwam op, een andere visie op de dingen, een nieuw gevoel jegens de anderen, de ons omringende omstandigheden, elk levend wezen op moeder Aarde, gevolgd door een kracht die ons sterk en zwak tegelijk liet zijn. Isa, de kracht van het Ik ben!, was net zo snel verdwenen als ze was gekomen, maar had in ons allen iets achtergelaten, en we begrepen dat we alleen als eenheid konden bestaan, als een boom, een woud, een gemeenschap; en dat Naudiz terug zou komen als we van mening waren dat we alles zelf moesten zijn, en al het andere zou er niet zijn.

Jera begroette ons met een wervelende zuigkracht van verandering; het rad van de tijd draaide en wij waren een stap verder in het leven.

Eiwaz kwam eraan, de kracht van de heilige Wereldboom, van onze voorvader in de oneindige wijdte van de tijd; de taxus die de hele wereld omspant en de wereld, die zelf een boom is, rustend in haar midden draagt. Eiwaz leerde ons de verbinding tussen boven en onder en de omstandigheden dat alles wat boven is, ook beneden is aan te treffen.

Met de komst van Perthro werden we wedergeboren als nieuwe, veranderde wezens; er begon een nieuwe cyclus en we hadden de Algizkracht in ons gevonden, die haar kracht rechtop staand ontvangt, de takken naar de hemel gericht en de wortels naar moeder Aarde. Door het wolkendek brak Sowilo, onze zon, die ons verwarmt en ons begeleidt, waar we ook zijn, en die uit ons schijnt, zelfs als dikke wolken in de lucht hangen.

Tiwaz kwam aangevlogen, doelgerichte kracht, speer van Odin, geestelijke pijl van onze bestemming; zijn kracht brak in ons door, ontwortelde ons bijna op de begerige weg naar ons doel.

Toen voegde Berkana, de grote moeder van de berken, zich bij ons, stopte en herinnerde ons aan de geborgenheid die we voor een krachtige uitweg nodig hebben.

Uiteindelijk vonden we beiden in ons verenigd en een nieuw gevoel verbreidde zich. Dit gevoel was krachtig, ontspannend en regelmatig. - Een reusachtig paard kwam erbij: Ehwaz, de kracht van de verstandhouding. Snuivend en trappelend verscheen de paardenkracht in ons woud; we pakten elkaars takken beet, wisten dat dit het moment was om samen te leven, gemeenschappelijk te handelen en van het bestaan te genieten.

Heel langzaam, maar goed hoorbaar verscheen Mannaz in ons midden en we vonden tegenstellingen in ons, erkenden en begrepen ze, wisten ze uiteindelijk te aanvaarden. Nu begrepen we wat een wandelaar lange tijd had gezegd toen hij ons door ons woud liep en velen van ons omarmde: de mensen kwamen na de paarden en het is hun grootste probleem hun twee levens in dit ene te erkennen.

Door deze ervaring kwamen de tranen in ons op, de tranen van verdriet en vreugde; het reinigende water van onze zielen steeg door de zielenvensters naar het daglicht en Laguz was op bezoek gekomen, de kracht van het water, het gevoel, de reiniging en de eeuwige verandering.

Daarna bleef het een tijd rustig in ons woud. Deze tijd was Ingwaztijd, een tijd van rijpheid en rust, van bezinning en inzicht. Onze zielen verwerkten de vernieuwingen, veranderden ze, werden rijker en stralender.

Het vuur van Dagaz liet ons terug naar het leven gaan en voor ons in de schemering zagen we de weg die tussen uitersten lag, tussen het eeuwige goed en kwaad, zwart en wit; we begonnen de grijze wolven te begrijpen, die soms door ons woud draafden, en leefden voortaan heel gelijkmatig.

In deze innerlijke vrede bereikten we Othala, het vaderland van onze zielen, het vaderland van onze gemeenschap, waarmee we onze weg in alle tijden der wereld zouden vervolgen, en een bovenaards welbevinden verspreidde zich in ons, van de diepste wortels langs de stam tot hoog in de takken.